Appèl stichting sociale christendemocratie

Tijd om te kiezen

stichting sociale christendemocratie

Wij doen dit appèl, omdat wij ons zorgen maken:

Zorgen over de toestand van het land, de tekortschietende overheid, de groeiende tweedeling in de samenleving, de opeenstapeling van problemen, de toenemende onvrede en het onvermogen van de politiek om dit adequaat te adresseren. 

“De belangen van degenen die niet meepraten en meebeslissen, spelen een ondergeschikte rol in de besluitvorming.”

1. Wij maken ons zorgen, omdat belangrijke maatschappelijke vraagstukken geen onderwerp meer lijken te zijn van democratische besluitvorming. Hoe willen we dat ons land er over vijf, tien of twintig jaar uitziet? Wat zijn de grootste uitdagingen? Waar leggen we onze prioriteiten en hoe zetten we de beperkte middelen zo efficiënt mogelijk in?

Deze grote vragen zien we niet of nauwelijks terug in het democratische debat. De manier waarop we ons land en onze samenleving inrichten, lijkt een bijna toevallig gevolg van een opeenstapeling van losstaande nationale en internationale juridische normen, van toevallige procedures bij een rechter, van rekenmodellen van het CPB of het RIVM, van de mening van een beperkt aantal deskundigen en bestuurders, van een akkoord gesloten tussen enkele belangengroepen, en niet meer van de politieke en morele keuzes die we als samenleving gezamenlijk maken.

Daar komt nog bij dat politieke partijen steeds minder zijn verankerd in de maatschappij. Ook het maatschappelijk middenveld, dat naast de parlementaire democratie traditioneel de brug vormde tussen burger en overheid, vervult deze rol niet meer. Boeren, onderwijzers en verplegend personeel kwamen eind 2019 tegen hun eigen belangenorganisaties in opstand. Dat was geen incident. Het maatschappelijk middenveld, financieel vaak afhankelijk van overheidssubsidies en gemanaged door oud-politici en bestuurders is steeds verder losgeraakt van de achterban en onmiskenbaar verstatelijkt.

Een groot deel van de samenleving weet zich niet meer vertegenwoordigd. Dit is een riskante situatie. Het gevaar bestaat dan dat de belangen van degenen die niet meepraten en meebeslissen een ondergeschikte rol gaan spelen in de besluitvorming. En dat is precies wat er nu gebeurt.

2. Wij maken ons zorgen, omdat er sprake is van een steeds grotere sociale en economische tweedeling in de samenleving.  Aan de ene kant bevindt zich welvarend en hoogopgeleid Nederland. Ze hebben een leuke baan, een mooi huis, volop kansen en een goed perspectief voor hun kinderen. Representanten van deze ‘hogere’ klasse bezetten de bestuurszetels en bevolken de overlegorganen, de belangengroepen en de deskundigenpanels die steeds meer de inrichting van onze samenleving bepalen. Zij weten de weg in de politiek, de bureaucratie en in de rechtszaal. Hun maatschappijvisie staat centraal bij het overheidsbeleid.

Aan de andere kant van de kloof bevinden zich de mensen waarvoor de welvaart minder vanzelfsprekend is en die economisch en sociaal minder kansrijk zijn. Een steeds groter deel van hen verdwaalt in de bureaucratie, heeft geen vaste baan, wordt geconfronteerd met onmogelijke woonlasten, en ziet de perspectieven voor de eigen kinderen verslechteren. Voor hun opvattingen en voorkeuren zitten er geen vertegenwoordigers aan de overlegtafels, wordt er niet gestreden door belangenorganisaties en lobbyisten, worden er geen rechtszaken aangespannen. Zij krijgen op papier wel de mogelijkheid tot ‘burgerparticipatie’, maar zoals het gasloos maken van woningen laat zien, gaat deze inspraak slechts over de details: ‘nee’ zeggen tegen de hoofdlijnen behoort niet tot de mogelijkheden.

En dat leidt tot onevenwichtige, zelfs oneerlijke besluitvorming. De Nederlandse samenleving begint steeds meer te lijken op een feestje voor hen die nog wel aan de besluitvorming deelnemen, en steeds minder voor de rest. Ons ‘ontzettend gave land’ lijkt elke dag een beetje meer toegesneden te worden op de wensen, de ideeën en noden van een beperkte groep aan de bovenkant van onze samenleving.

De voorbeelden hiervan zijn legio. Mondige, hoogopgeleide stedelingen weren bijvoorbeeld met succes de windmolens uit hun buurt en deze belanden dan in gebieden waar minder invloedrijke mensen van het uitzicht mogen ‘genieten’. Op de plaatsing ervan hebben gewone kiezers amper invloed, want de verantwoordelijkheid ervoor is grotendeels verschoven naar klimaattafels, energieregio’s en rechtbanken, waar zij niets te zeggen hebben.

“Ons land lijkt elke dag een beetje meer te worden toegesneden op de wensen, de ideeën en noden van een beperkte groep aan de bovenkant van onze samenleving.”

“De basis is niet op orde, en de prijs daarvoor wordt betaald door het minder welvarende deel van de bevolking.”

3. Wij maken ons zorgen, omdat de basis niet op orde is, en dat de prijs hiervoor wordt betaald door het minder welvarende deel van de bevolking.

Het niveau van het onderwijs daalt jaar na jaar: een kwart van de scholieren verlaat de middelbare school als functioneel analfabeet, dat wil zeggen dat ze niet goed genoeg kunnen lezen en schrijven om zich in de samenleving te handhaven. En het zijn niet de kinderen van de maatschappelijk geslaagden die dit treft: die leren of van hun ouders of krijgen betaalde bijles en examentraining om toch de dingen te leren die ze op school hadden moeten leren. De explosieve groei van het schaduwonderwijs de afgelopen jaren – voorbehouden aan hen die het kunnen betalen – laat zien dat het reguliere onderwijs tekortschiet. De prijs hiervoor wordt betaald door de kinderen uit minder welvarende milieus, die moeten vrezen voor economische en maatschappelijke stagnatie. 

Rechtsbescherming, zowel in civiele als bij bestuursrechtelijke zaken, is steeds meer een privilege geworden, door stijgende griffierechten en jurisprudentie die de toegang tot de rechter voor individuele burgers beperken. De toeslagenaffaire bracht duidelijk aan het licht dat ook rechtsbescherming die in theorie op orde is, mensen niet helpt die niet de opleiding, de schriftelijke vaardigheid en de financiële slagkracht hebben om ook van deze rechtsbescherming daadwerkelijk gebruik te kunnen maken. Dit geldt des te meer als de overheid eens niet welwillend is, als er niet naar de Ombudsman wordt geluisterd en als de politiek meer bezig is met beeldvorming en mogelijke precedentwerking dan met het oplossen van echte problemen. 

De huizenmarkt is dermate vastgelopen dat voor veel mensen een eigen koophuis een onbetaalbare luxe dreigt te worden. Alleen voor mensen met een goedbetaalde vaste baan of welvarende ouders is dit nog een mogelijkheid. De rest dreigt vast te lopen in een huurhuis, moet een woning delen met anderen of wordt gedwongen een woning te zoeken ver van hun  sociale leven. 

Ons belastingstelsel is zo ingericht dat personen met een beperkt inkomen moeten vrezen om onder de armoedegrens terecht te komen als ze geconfronteerd worden met tegenslagen, als hun partner ziek wordt, als de fabriek waar ze werken sluit, als ze een ander huis nodig hebben. Het minimumloon is niet meer voldoende om een gezin te kunnen onderhouden. 

4. Wij maken ons zorgen, omdat de politiek met een wijde boog om deze problemen – en niet alleen deze – heenloopt. Ook op andere beleidsterreinen, zoals immigratie en asielbeleid, de instabiliteit van de eurozone, de ondermijnende drugscriminaliteit, het negatieve effect van het monetaire beleid van de ECB op onze pensioenen: de mogelijk ontwrichtende gevolgen hiervan lijken ons welhaast te overkomen. Elke planmatige aanpak, elke fundamentele politieke keuze, ja soms zelfs de erkenning van het probleem, ontbreekt. Tegelijkertijd is er een eenzijdige focus op de terreinen die deze bovenlaag raakt en belangrijk vindt. Er lijkt soms maar sprake te zijn van twee problemen in ons land: diversiteit en klimaat. 

De aandacht die het ministerie van onderwijs de afgelopen vier jaar besteedde aan het verhogen van het aantal vrouwelijke hoogleraren en aan de introductie van diversity officers op de universiteiten, staat in schril contrast met de afwezigheid van een concrete aanpak voor het verbeteren van het lager en middelbaar onderwijs voor iedereen. Wanneer er wordt gepraat over vrouwenemancipatie is er wel volop aandacht voor de vrouwenquota, de ‘glazen plafonds’ van de top 1%, maar amper aandacht voor de kwaliteit van het reken- en taalonderwijs voor de meiden uit de achterstandswijken. Het getuigt op zijn minst van verkeerde prioriteiten. 

De aandacht voor de toekomst van ons land en onze leefomgeving lijkt gereduceerd tot de aandacht voor het halen van “klimaatdoelstellingen”, waaraan alle andere belangen ondergeschikt zijn gemaakt. Een degelijke kosten-batenanalyse ontbreekt voor zelfs de meest ingrijpende maatregelen. De gevolgen voor de natuur en de leefomgeving spelen geen rol in de besluitvorming: zij worden pas achteraf pijnlijk duidelijk, als het boerenland plaatsgemaakt heeft voor de zonneweide, de biomassacentrale er staat en de windturbines naast de woonwijken worden gebouwd. 

De realiteitszin is in dit beleid soms ver te zoeken. Op het verbranden van biomassa wordt onverminderd ingezet, ook nu blijkt dat dit wél leidt tot grootschalige ontbossing en stevige luchtvervuiling, maar niet tot een substantiële reductie van de CO2-uitstoot. Want het model waaraan wij toetsen of we de klimaatdoelstellingen halen, hanteert de achterhaalde aanname dat biomassa CO2-neutraal is, en dit model en deze papieren klimaatdoelstellingen zijn belangrijker geworden dan het klimaat zelf. 

Deze tendens is op vele terreinen zichtbaar: de aandacht en middelen van de overheid gaan steeds meer naar het vastleggen van abstracte doelstellingen, aan het modelleren van de samenleving en de leefomgeving, aan het behalen van de juiste uitkomsten binnen zo’n rekenmodel. Er worden megalomane stelselwijzigingen ontworpen, maar er wordt nauwelijks nog gekeken naar de werkelijkheid, naar hoe we ervoor kunnen zorgen dat de samenleving in het echt morgen iets beter is dan vandaag. 

Ook ons belastingstelsel is grotendeels gevormd door de economische modellen van het CPB, en binnen die modellen functioneert het perfect. Maar in de praktijk hebben we een ondoorzichtig stelsel opgetuigd, met keiharde prikkels voor één- en anderhalfverdieners met een laag inkomen, marginale belastingtarieven die oplopen tot wel 80%, en een complexiteit waar vooral degenen die een fiscalist kunnen inhuren nog enig voordeel mee kunnen doen. De tijd dat we belangrijke politieke principes, zoals rechtvaardigheid of het draagkrachtbeginsel, ten grondslag legden aan ons belastingstelsel, en daarover debatteren in de Kamer, lijkt al lang achter ons te liggen. 

Veel van de weinig efficiënte en soms zelfs nutteloze maatregelen die het op papier goed doen, hebben bovendien een bijzonder neveneffect: ze worden betaald door de huishoudens en kleine bedrijven. De voordelen vloeien grotendeels naar de welgestelden, naar de investeerders, multinationals en gefortuneerde individuen. De tesla-subsidie is maar één van de vele voorbeelden: kosten ’6 miljard euro en nul klimaateffect’, aldus toenmalig staatssecretaris Wiebes. Ook van de miljardensubsidies voor windenergie komt een groot deel als overwinst in de zakken van binnen- en buitenlandse investeerders terecht. Er vindt vaak verborgen achter de met de mond beleden progressieve idealen niet zelden een omgekeerde herverdeling van arm naar rijk plaats. 

“De aandacht en middelen van de overheid gaan steeds meer naar het modelleren, naar het formuleren van abstracte doelstellingen, aan het behalen van de juiste uitkomst binnen zo’n stelsel, maar er wordt nauwelijks nog gekeken naar de werkelijkheid, naar hoe we de samenleving in het echt morgen iets beter kunnen laten zijn dan vandaag.”

“De klassieke grondrechten zijn geen luxeproducten die al te lichtvaardig opzij mogen worden gezet: ze zijn noodzakelijke instrumenten die individuele vrijheid en de maatschappelijke vrede in een pluriforme samenleving borgen.”

5. Wij maken ons zorgen, omdat de overheid een te grote greep heeft gekregen op het individuele en maatschappelijke leven. Hoewel de overheid in de uitvoering van haar kerntaken tekortschiet, zoals ruimtelijke ordening, milieu- en klimaatbeleid, rechtsbescherming, de regulering van immigratie, het heffen van belastingen, het verzorgen van goed onderwijs, vindt zij het geen enkel probleem om een steeds groter deel van het leven te reguleren. 

Het deel van het leven waar de overheid zich niet mee bemoeit, het staatsvrije domein, wordt daardoor steeds kleiner. De overheid houdt zich steeds meer bezig met hoe we moeten leven, hoe we bijvoorbeeld lichamelijke gezondheid moeten nastreven, maar ook met wat we zouden moeten denken. Er is steeds minder tolerantie voor levensbeschouwingen of levenswijzen die niet met de hoofdstroom overeenkomen. 

Er is een verschil tussen recht en moraal: niet alles wat immoreel is, moet de overheid verbieden of ontmoedigen, en niet alles wat goed is, moet de overheid verplichten of stimuleren. In de praktijk vervaagt dit onderscheid alras, en dat is een zorgwekkende ontwikkeling. Het leidt tot een eenvormige samenleving, waarin alle burgers geacht worden zich steeds meer te voegen naar het model dat is gevormd door de morele opvattingen van de toonaangevende bovenlaag, wier normen, waarden en prioriteiten steeds exclusiever de normen, waarden en prioriteiten van de overheid zijn. Voor deze toonaangevende bovenlaag past de huidige samenleving wellicht als een jas, maar voor vele anderen steeds minder. 

Grondrechten dienen om het staatsvrije domein te bewaken: ze stellen grenzen aan de macht en invloed van de overheid en bewaken de vrijheid van burgers. De ontwikkeling in de rechtspraak, waarin grondrechten steeds vaker de aanleiding zijn voor verder overheidsingrijpen, is dan ook zorgelijk. De vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van levensovertuiging, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van onderwijs zijn in hun klassieke interpretatie geen luxeproducten die al te lichtvaardig opzij mogen worden gezet: ze zijn noodzakelijke instrumenten die individuele vrijheid en de maatschappelijke vrede in een pluriforme samenleving borgen. 

Appèl

Het is de plicht van het CDA zich tegen de toenemende tweedeling en de onverantwoorde focus op de hoogopgeleide, welvarende bovenlaag te verzetten.  Het CDA moet zich verzetten tegen de verkeerde prioriteiten van het overheidsbeleid, tegen het negeren van de vele maatschappelijke problemen die zich niet in de bijzondere aandacht van de bovenlaag mogen verheugen. Het CDA is een volkspartij, en moet oog hebben voor de belangen van iedereen – ook voor hen die niet mee kunnen komen in de onze samenleving. 

Het CDA moet zich verzetten tegen de lobby- en akkoordendemocratie, tegen de dominante invloed van technische modellen en abstracte juridische normen op de samenleving. Het CDA moet zich verzetten tegen het uitbesteden van de belangrijke, politieke keuzes over de toekomst van ons land aan mensen en organisaties die geen kiezersmandaat hebben.  Het CDA moet zich als politieke partij weer bezig gaan houden met de rechtvaardige ordening van de samenleving, met de koers van het land, en niet enkel met de details van het beleid en de waan van de dag.

Het CDA moet weer de partij worden die zich richt op de echte problemen van álle mensen, zonder zich te verliezen in ideologische blindheid, moreel simplisme of een gebrek aan realiteitszin die de huidige politiek te vaak kenmerken. 

Het CDA moet, kort gezegd, weer die volkspartij worden, die het ooit was. 

“Het CDA moet zich verzetten. Het CDA moet weer die volkspartij worden, die het ooit was.”

Netwerk sociale christendemocratie

Deel je onze zorgen over de samenleving en kun je je vinden in dit appèl? Sluit je dan aan bij ons netwerk.